Het aantal dodelijke slachtoffers van de Hongerwinter is niet exact bekend. Het is bovendien buitengewoon lastig een enigszins nauwkeurige schatting te maken. Goed cijfermateriaal over de sterfte tijdens de laatste oorlogswinter is helaas schaars, behalve voor Amsterdam.

Dr. L. de Jong schrijft in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10b (Den Haag 1981) het volgende: “Onze slotsom is dat door de Hongerwinter in het westen des lands, directe en indirecte slachtoffers tezamen genomen, meer dan 22.000 mensen zijn opgekomen” (pag. 219). G.M.T. Trienekens schrijft echter in zijn boek Tussen ons volk en de honger; De Voedselvoorziening 1940-1945 (Utrecht 1985) dat er “in het eerste halfjaar van 1945 in West-Nederland in de steden een extra sterfte is opgetreden van 16.000 doden ten opzichte van de gelijke periode in het voorafgaande jaar. Hierbij dient een klein aantal voor het platteland te worden opgeteld. Ongeveer de helft van het genoemde aantal stierf aan ‘honger en/of koude’. Hoeveel van de resterende extra-sterfte door gebrek aan voedsel moet worden toegeschreven, is moeilijk te zeggen, maar zonder twijfel is honger de belangrijkste veroorzaker van de meerdere sterfte” (pag. 406). Hein A.M. Klemann stelt voorzichtig dat de Hongerwinter “enige tienduizenden mensen het leven heeft gekost, wat minder was dan 1% van de bevolking van het hongergebied” (Nederland 1938-1948; economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting, (Amsterdam 2002) pag. 467).