De NSB die, vóór de oorlog uitbrak, op een kleine 4% van het electoraat kon rekenen, nam na mei 1940 in ledental toe. In juni 1940 telde de NSB ca. 27.000 leden. Het aantal leden behaalde zijn maximum in het derde kwartaal van 1941: ruim 75.000; het daalde nadien vrij constant tot ruim 63.000 eind 1943 om nadien weer te stijgen tot ca. 74.000 in juli 1944; men moet daar nog ruim tienduizend leden bijtellen die in het buitenland woonden, nagenoeg uitsluitend in Duitsland. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 6, p. 382-383).

Na de geallieerde invasie in Normandië begon de NSB steeds meer in ontbinding te raken. De paniek van Dolle Dinsdag (5 september 1944) als gevolg van het gerucht dat de bevrijding van Nederland nog maar een kwestie van uren was, gaf de partij vrijwel de genadeslag. Ongeveer 65.000 mensen, leden van ‘collaborateursgezinnen’, vluchtten toen naar Duitsland. (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10a, p. 203).