Met deze elfde editie gaat het Jaarboek Oorlogsdocumentatie '40-'45 zijn tweede decennium in. Uitgever en redactie hebben in dit heuglijke feit aanleiding gezien om zowel het uiterlijk als de inhoud van het jaarboek te vernieuwen.

Voortaan zal steeds een bepaald thema de inhoud bepalen. Overeenkomstig het bredere werkterrein waarop het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie zich met ingang van de eenentwintigste eeuw wil profileren, zal de aandacht zich niet langer beperken tot de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden en de Tweede Wereldoorlog in strikte zin. Ook al blijft de geschiedenis van de Nederlandse ervaring van 1940-1945 in Europa en Azië een punt van oriëntatie, deze thematiek zal nadrukkelijker dan voorheen tevens worden beschouwd als onderdeel van de continuïteit en discontinuïteit van de afgelopen eeuw. Er wordt nu, zo kan men in het recente, van het jaar 2000 daterende onderzoeksprogramma van het NIOD lezen, een langere termijn perspectief gezocht. Dit moet het mogelijk maken meer inzicht te verwerven in de aard en betekenis van de diepgaande maatschappelijke veranderingen in de periode 1940-1950.

Het thema van dit jaarboek sluit goed op het streven van het NIOD tot verbreding van het onderzoeksprogramma aan. De redactie heeft met beide handen de mogelijkheid aangegrepen samen te werken met een gastredactie bestaande uit de historici Martijn Eickhoff, Barbara Henkes en Frank van Vree. Gedrieën waren zij de organisatoren van een bijeenkomst op de Third European Social Science History Conference die in april 1999 in Amsterdam werd gehouden. Het thema dat zij daar ter discussie stelden was de ontwikkelingsgeschiedenis van de sociale en culturele wetenschappen in hun confrontatie met het nationaal-socialisme en andere 'volkse' ideologieën. In dit jaarboek worden de tot artikelen uitgewerkte bijdragen aan die zitting gepresenteerd. Opgenomen werden eveneens artikelen van enkele anderen die destijds geen paper bijdroegen. Tot voor kort placht men in de historiografie van veel disciplines neer te kijken op wat men ervoer als een 'ontsporing' van bepaalde wetenschappen en wetenschappers in hun relatie tot het nationaal-socialisme. Men maakte doorgaans een scherp onderscheid tussen 'gewone' en politiek geaberreerde vormen van wetenschapsbeoefening. Recent onderzoek laat echter zien dat zo'n onderscheid tussen 'goede' en 'foute' wetenschap op wetenschappelijke gronden niet langer houdbaar is.

In dit jaarboek gaan de auteurs na of het mogelijk is een nationaal-socialistische of 'volkse' beoefening in de sociale en culturele wetenschappen duidelijk af te bakenen, of dat wat men lange tijd als 'foute' wetenschap heeft aangemerkt veeleer terug te voeren is op persoonlijke keuzes of op specifieke maatschappelijke en politieke constellaties. Een aantal disciplines, zoals archeologie, volkskunde, geschiedenis en geografie, maar ook eugenetiek en de medische wetenschap worden onder de loep genomen. Deze waren immers alle van betekenis voor de vorming en de uitdraging van een nationaal-socialistisch mens- en wereldbeeld.

De auteurs beogen aan de hand van vergelijkende biografische portretten en vertooganalyses van het werk van wetenschappelijke onderzoekers uit deze uiteenlopende disciplines, te laten zien welke betekenis het denken in termen van volk, ras en andere essentialistische categorieën voor de sociale en culturele wetenschappen had. In veel gevallen komt dat neer op de vraag, hoe in het werk van deze geleerden het 'volkseigene' of 'raseigene' vorm kreeg en in hoeverre dat verband hield met hun politieke stellingname.

Achter deze probleemstelling gaan andere vragen schuil, die Frank van Vree in zijn inleidend artikel opwerpt: in hoeverre waren ook in Nederland opvattingen, verwant aan het raciale denken van het nationaal-socialisme en bepaalde varianten van het kolonialisme, niet dieper verankerd in het wetenschappelijk denken dan later wel is aangenomen? En dan is er nog de − blijvend actuele − vraag: wat maakt deze geschiedenis ons duidelijk over de verhouding tussen wetenschap en politiek? De meeste wetenschappers die in deze bundel ten tonele verschijnen, meenden dat zij 'zuiver wetenschappelijke' arbeid verrichtten. Nu, een halve eeuw later, is het echter onmiddellijk duidelijk dat ook zij tot in de kern van hun wetenschappelijke arbeid beïnvloed werden door de politieke verhoudingen en de heersende opvattingen van hun tijd.

De bekende Engelse historicus Richard Johnson, hoogleraar Cultural Studies, werkt deze vragen nader uit in zijn afsluitende commentaar op de in dit jaarboek gebundelde artikelen. Denken in essentialistische en raciale typen is geen monopolie van het nationaal-socialisme, stelt hij. Integendeel: dat soort denken werkt tot op de dag van vandaag door.

In die zin is de problematiek die in dit jaarboek wordt aangeroerd uiterst relevant voor onze huidige politieke en wetenschappelijke cultuur. Het attendeert ons immers op de manier waarop het tegenwoordig denken over cultuurverschillen en etniciteit bepalend is voor de wetenschappelijke praktijk.

De hierboven gememoreerde taakuitbreiding van het NIOD was tevens aanleiding een nieuwe redactiestructuur van het jaarboek te ontwerpen. Een kleinere redactie is aangetreden, die zich gesteund mag weten door een grotere redactieraad. Daarin hebben wij naast medewerkers van het instituut ook historici van buiten het instituut bereid gevonden zitting te nemen. De externe redactieraadleden, van wier expertise wij in de toekomst hopen te mogen profiteren, zijn dr. Bernadette Kester die verbonden is aan de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf in Den Haag, dr. Hein Klemann, die economische geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht doceert, Frits Boterman, bijzonder hoogleraar Duits-Nederlandse betrekkingen in Groningen en docent moderne Duitse geschiedenis aan de UvA, en dr. Wim Willems, verbonden aan het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies te Amsterdam.

Wilde de redactie inhoudelijk dus een verbreding realiseren die in de keuze van de thema's tot uiting zal worden gebracht, twee vaste rubrieken hebben alle vernieuwing weten te trotseren. Ook in de toekomst zullen in het jaarboek een foto-essay en het gewaardeerde recensieartikel van de hand van NIOD-medewerker Dick van Galen Last worden opgenomen. Beide zullen evenwel voortaan worden afgestemd op het thema.

De redactie spreekt graag haar dank uit aan de drie gastredacteuren van dit jaarboek, die bovendien ieder een artikel schreven. Dank verdienen ook de andere auteurs, Ineke Mok, Marnix Beyen, Richard Johnson, Dick van Galen Last en Remco Ensel, die het foto-essay schreef. Wij zijn de Walburgpers in Zutphen bijzonder erkentelijk voor haar bereidwilligheid de uitgave van het jaarboek te willen voortzetten. Dank komt tenslotte de editor van dit Jaarboek toe, Marianne Tieleman. 

Inhoudsopgave

- De redactie, Ten geleide
- Frank van Vree, Ras, volk en cultuur. Andere perspectieven op wetenschappelijke tradities
- Martijn Eickhoff, De ‘geest’ van de hunebedbouwers. De Nederlandse pre- en protohistorie in wetenschap en propaganda
- Barbara Henkes, Voor Volk en Vaderland. Over de omgang met wetenschap en politiek in de volkskunde
- Marnix Beyen, Natuurlijke naties? Nationale historiografie in België en Nederland tussen een ‘tribaal’ en een sociaal-cultureel paradigma
- Ineke Mok, Een beladen erfenis. Het raciale vertoog in de sociale wetenschap in Nederland 1930-1950
- Remco Ensel, Een verbeelde gemeenschap. De volkskundige portretfotografie van Willem van Malsen
- Richard Johnson, Academics under Pressure. Power and Paradigm in two Historical Periods
- Dick van Galen Last, De dodelijke omhelzing van wetenschap en nationaal-socialisme
- Literatuuroverzicht

 

Plaats van uitgave: 
Zutphen
Uitgever: 
Walburg Pers
Jaar van uitgave: 
2000