Dit dertiende jaarboek van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie wil het utopisch denken, doen en bouwen in de twintigste eeuw belichten. Daarbij is getracht behendig te laveren tussen twee mogelijke benaderingen van dit onderwerp. We kozen niet voor een smalle, exclusieve benadering, waarbij de blik wordt gericht op specifiek utopisme in bijvoorbeeld de literatuur of de film; we vermeden aan de andere kant een te algemene, brede opzet waarbij voor alles wat maar met maatschappelijke idealen te maken heeft plaats kan zijn. Onze voorkeur ging ernaar uit een verbinding te zoeken tussen de geschiedenis van het historische politiek-utopisch bewustzijn en de geschiedenis van de twintigste-eeuwse architectuur en stedenbouw, op welk terrein de utopie zich immers bij uitstek manifesteert. Wie zich beperkt tot de studie van de utopie in slechts een enkel domein, beseft vaak te weinig hoe sterk de manier waarop historische verandering werd en wordt gedacht en gemaakt verwant is met de geschiedenis van de architectuur en de stedenbouw.

De redactie wil op deze plek haar dank uitspreken aan gastredacteur Luuk van Middelaar, die een schare aan deskundigen op beide terreinen, uit binnen- en buitenland, enthousiast wist te maken voor deelname aan deze bundel. Zelf politiek filosoof, tekent hij behalve voor de inleiding van deze multidisciplinair opgezette bundel ook voor het boeiende interview met de vooraanstaande Duitse historicus Reinhart Koselleck, in wiens persoon de studie van het politieke utopisme en het leven onder een 'utopie' markant verenigd zijn.

De Franse historicus en politiek filosoof Marcel Gauchet schreef een erudiet overzicht van het utopisch bewustzijn in de laatste vier eeuwen. Dit artikel vormt met het interview de basis waarop de volgende artikelen voortbouwen. De Groningse cultuurhistoricus Wessel Krul laat zien hoe het de twintigste eeuwse artistieke avantgarde verging in zijn streven met nieuwe kunst tot nieuwe sociale verhoudingen te komen. Hilde Heynen, die architectuur en filosofie studeerde en thans architectuurtheorie doceert aan de KU in Leuven, verenigt beide benaderingen van de utopie in deze bundel in haar artikel over architectuur, transparantie en utopie. De Nederlandse filosoof Jozef Keularzt maakt de balans op van de internationale twintigste-eeuwse utopische tuinstadbeweging. De beide historici Koos Bosma en Cor Wagenaar analyseren de utopische elementen in de plannen voor de wederopbouw van Rotterdam en Warschau na de Tweede Wereldoorlog. Martijn de Waal, historicus en film- en televisiewetenschapper, bespreekt in zijn artikel twee uiteenlopende navrante utopische woonprojecten in de VS. De bundel sluit af met een autobiografisch essay van de Estische architect, kunsttheoreticus en kunstenaar Leonhard Lapin, wiens leven maar liefst door twee 'utopieën' is getekend: door het socialisme en het kapitalisme. Zijn bijdrage kan worden beschouwd als de pendant van het interview met Koselleck.

Enkele andere auteurs hebben wij gevraagd in korte bijdragen hun licht te laten schijnen op concrete architectonische producten van utopisch bewustzijn. De redactie dankt daarvoor de filosoof en kunsthistoricus Herman van Bergeijk, de historicus Koos Bosma, reeds eerder genoemd, de planoloog Len de Klerk, de architect en stedenbouwkundige Winy Maas, de kunsthistoricus en archeoloog Otakar Macel, de architect Paul Meurs en de historicus Niek Pas. Gastredacteur Luuk van Middelaar vertaalde met dit doel een gedeelte uit het voorwoord dat de nazi-architect Albert Speer (1905-1981) schreef bij zijn in 1978 verschenen Architektur. Arbeiten 1933-1942. Van Middelaar schreef daarnaast het vignet over het Paleis van de Sovjets: de utopische hubris ten top.

Onze bijzondere dank gaat ten slotte uit naar de Nederlandse architect Neville Mars. Daartoe in de gelegenheid gesteld door de Van Doesburgstichting, werkte hij tijdens een recent verblijf van een jaar in de atelierwoning die destijds door Theo van Doesburg werd gebouwd in Meudon, nabij Parijs, aan het beeldessay The Cunning City. Uit het Engels vertaalde fragmenten daarvan zijn nu met de bijbehorende beelden gepubliceerd in deze bundel.

Inhoudsopgave

- Albert Speer, Macht. Albert Speer en de Kathedraal van Licht
- Paul Meurs, Maakbaarheid. Het Brasília van Lúcio Costa en Oscar Niemeyer
- Jozef Keulartz, Van Tuinstad tot Ecopolis. Het gedroomde huwelijk van stad en land
- Neville Mars, De sluwe stad. Een beeldessay over de toekomst van de metropool
- Koos Bosma en Cor Wagenaar, De macht van de makers. De planningseuforie bij de wederopbouw van Rotterdam en Warschau
- Martijn de Waal, Utopia in Suburbia. Bouwen voor de mensheid versus bouwen voor de mens
- Niek Pas, De provo’s en Nieuw Babylon
- Otakar Mácel, Superconsumptie. De twaalf ideale steden van Superstudio
- Winy Maas, Natuur. De Varkensstad van MVRDV
- Leonhard Lapin, Socialisme en kapitalisme. Twee utopia’s in de architectuur van Estland

 

Plaats van uitgave: 
Zutphen
Uitgever: 
Walburg Pers
Jaar van uitgave: 
2002