Vijftig jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog bestaat er een onverminderde, zo niet groeiende, belangstelling voor wat kennelijk wordt ervaren als de meest ingrijpende periode uit onze geschiedenis. De voortdurende stroom van publicaties over de periode 1939-1945 is daarvan het praktisch dagelijkse bewijs. Wel valt er een verschuiving in onderwerpkeuzes waar te nemen en ook de visie op de oorlog geschiedt thans vanuit een geheel ander perspectief dan in de eerste jaren van de historiografie der Tweede Wereldoorlog. Op zich is dat niet verbazingwekkend. Geschiedenis is immers een spel van steeds verschuivende invalshoeken. Vele van de huidige historici hebben de oorlog niet zelf meegemaakt en ook dat gegeven resulteert op haast natuurlijke wijze in een grotere distantie en minder nauwe persoonlijke betrokkenheid.

Hoewel veel reeds is onderzocht,blijken er nog steeds vrijwel maagdelijke terreinen van onderzoek te zijn. Eén gebied dat - per definitie - pas na verloop van tijd voorwerp van onderzoek kan worden, is de herinnering aan en de verwerking van de oorlog. Hoe kijken mensen na verloop van tijd op de oorlog terug, wat herinneren ze zich, waar willen ze liever niet aan herinnerd worden en hoe worden gebeurtenissen uit die tijd herdacht, beleefd of eventueel herbeleefd?

De Belgische historicus Pieter Lagrou houdt ons een spiegel voor in zijn artikel over 'parochiaal patriottisme', waarin hij de Nederlandse naast de Belgische ervaringen plaatsend, ingaat op wat hij 'naoorlogse illegaliteit' noemt. Meest opvallend daarbij is de politieke marginaliteit van de Nederlandse veteranenorganisaties van oorlogsslachtoffers en voormalige verzetsstrijders. Hij stelt vast dat de Nederlandse overheid alsook de politieke en culturele elites een prominente rol in het herinneringsproces hebben gespeeld. De bevrijding betekende niet voor iedereen vrijheid (ruim 100.000 personen gingen de gevangenis in!) maar in sommige gevallen juist een kater.

Julika Vermolen blikt in haar bijdrage terug op de Nederlandse naoor logse cultuur van herdenken en vieren en onderscheidt drie verschillende periodes met elk hun eigen bijzonderheden. Rolf Wolfswinkel analyseert het beeld van de collaborateur in de naoorlogse letterkunde en concludeert: 'goed' kan fout zijn, maar 'fout' wordt nooit goed, hoogstens niet zo erg fout.

De juriste Machteld de Geus maakt aan de hand van een aantal voorbeelden duidelijk hoe de 'vrederechtspraak' fungeerde en komt tot de conclusie dat het Nederlandse rechtssysteem tijdens de oorlog werd gebruikt zowel als een instrument van terreur als voor nazificermg. De vrederechtspraak, die op 16 augustus 1941 werd ingesteld, was een eigenaardigheid van bezet Nederland, bedoeld om strafbare feiten met een politieke implicatie te berechten. De Geus wijst tevens op de discutabele rol van de Hoge Raad: door de leden van het Vredegerechtshof te beëdigen verschaften ze legitimiteit aan een instituut wiens leden 'uitgingen van een abject waardenstelsel, terwijl zij reeds bewust voor het bedrijven van onrecht gekozen hadden door hun principieel onrechtvaardige ambt te aanvaarden'.

In de vaste rubrieken biedt het Jaarboek wederom een keur van onderwerpen. De publiciste en historica Connie Kristel schildert een boeiend portret van leven en werk van Saul Friedlander, die zich meer dan dertig jaar met Holocaust en nationaal socialisme heeft beziggehouden. De massale vernietiging van joden in Hitlers uitroeiingskampen kan volgens deze Israëlische historicus wel geregistreerd, maar niet begrepen worden. Hij spreekt in dat verband van 'de verlamming van de historicus': we kennen de feiten en kunnen de gebeurtenissen weergeven, maar de feitelijke impact daarvan onttrekt zich aan ons bevattingsvermogen.

Het foto-essay, samengesteld door de Duitse historica Edith Raim, geeft een beeld van het Zuidduitse plaatsje Landsberg. Na zijn putsch in 1923 werd Hitler daar geïnterneerd. In de dagen van het Derde Rijk groeide het uit tot een nationaal-socialistisch pelgrimsoord. Later kreeg het stadje een concentratiekamp voor joden, en na de oorlog werd er een interneringskamp gevestigd waarin meer dan duizend oorlogsmisdadigers werden gedetineerd.

Dick van Galen Last, bibliothecaris van het RIOD, inventariseert in zijn recensie-artikel de historiografische stromingen sedert 1945. Geen overbodige luxe voor diegenen die in het naoorlogse woud van publikaties - ongeveer honderdduizend - een weg en richting trachten te vinden. Met de toegevoegde selectieve bibliografie van bijna duizend titels kan iedere onderzoeker die zich verder in deze periode wil verdiepen zijn voordeel doen.

Susan Legêne en Margreet Schrevel bieden ons een eerste kennismaking met een drietal, tot dusver gesloten, archieven van de Communistische Partij van Nederland.

Dat archieven soms wonderlijke en onverwachte vondsten kunnen opleveren, bewijzen Gerard Aalders en Dick Engelen in hun artikel over het politieke testament van NSB-leider Anton Mussert. Het berustte jarenlang in de kluizen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD). Aan de verwerving van dit document (in 1958) werd destijds zo'n gewicht gehecht, dat minister-president W. Drees van de vondst op de hoogte werd gesteld. Hij bepaalde dat het document te zijner tijd moest worden overgedragen aan het RIOD, waaraan nu dus is voldaan. Niet lang na de overdracht door de BVD wist het RIOD ook het tot dan ontbrekende deel te verwerven.

Niet iedereen zal weten dat ons Belgische zusterinstituut als het Na-vorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog door het leven gaat. Dit instituut met 'de veel te lange naam' - de woorden zijn van de auteur Wim Meyers - werd pas in 1968 opgericht. Inmiddels heeft deze jongere zuster van het RIOD (1945) een goede naam weten op te bouwen en kan het centrum bogen op vele activiteiten en publikaties.

Wie kennis wil nemen van doctoraalscripties op het gebied van de Tweede Wereldoorlog, kan terecht bij de rubriek 'onderzoek'. De aangehaalde scripties kunnen op de bibliotheek van het RIOD worden geraadpleegd.

De directeur van het RIOD, dr. C.M. Schulten, bericht in de 'Stand van zaken' over het reilen en zeilen van het Institituut in het afgelopen jaar, dat zich een halve eeuw na de oorlog waaraan het zijn bestaansrecht ontleent, genoodzaakt ziet in de loop van 1995 door de voortdurend toenemende activiteiten en dienstverlening te verhuizen naar een groter pand.

De redactie van het Jaarboek prijst zich gelukkig dat ze prof. dr. Hans Daalder bereid heeft gevonden haar gelederen als gastredacteur te komen versterken.

Inhoudsopgave

- Pieter Lagrou, Patriotten en Regenten. Het parochiale patriottisme van de na-oorlogse Nederlandse illegaliteit, 1945-1980
- Machteld de Geus, Vrederechtspraak in Nederland
- Julika Vermolen, De vierde en de vijfde mei: herinnering aan en herdenking van de Tweede Wereldoorlog
- Rolf Wolfswinkel, Het beeld van de collaboratie in de naoorlogse letterkunde: de geschiedenis van een neurose

Het foto-essay
- Edith Raim, Hier is het allemaal begonnen. Een fotografisch verslag van een Duitse stad tussen de jaren twintig en vijftig

Het recensieartikel
- Dick van Galen Last, Vijftig jaar geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog

Het archief I
Susan Legêne en Margreet Schrevel, De CPN en het communistische verzet

Het archief II
- Gerard Aalders en Dick Engelen, Het politieke testament van Mussert

De zusterinstituten
- Willem C.M. Meyers, Het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog te Brussel

De historicus
- Connie Kristel, Saul Friedlander

Onderzoek
- Scripties en werkstukken 1993-1994

Stand van zaken
- C.M. Schuiten, Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie

 

Plaats van uitgave: 
Zutphen
Uitgever: 
Walburg Pers
Jaar van uitgave: 
1995