Het tiende jaarboek Oorlogsdocumentatie '40-'45 ziet er wat inhoud aangaat heel anders uit dan de voorafgaande negen jaarboekuitgaven die sedert 1989 zijn verschenen. Ter gelegenheid van dit jubileumnummer besloot de redactie af te wijken van de gebruikelijke formule en het jaarboek te wijden aan één enkel thema.

De centrale vraag waaraan deze tiende jaargang is gewijd is hoe hedentendage wetenschappers van verschillende disciplines de verbeelding van het verleden vormgeven. Als trait d'union tussen de verschillende bijdragen werd gekozen voor hun gebruik van het egodocument dat immers bij uitstek balanceert tussen beeld, zelfbeeld en historische representatie.

Het inzicht in de aard van memoires of andersoortige autobiografische geschriften heeft in de laatste halve eeuw een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Golden deze aanvankelijk als geschriften die de historicus als welke andere willekeurige bron benutte, inmiddels blijken ze een dusdanig complex verschijnsel dat de historicus niet dan met de grootste omzichtigheid daarvan gebruik kan maken. Autobiografische geschriften zijn zelf bron van reflectie geworden en dit heeft de aard van de geschiedschrijving ter discussie heeft gesteld.

In Nederland mag de historicus Jacques Presser de geestelijke vader van het begrip 'egodocument' worden genoemd. Presser bedoelde hiermee een getuigenis van mensen over zichzelf, die de vorm kon hebben van memoires, brieven, autobiografieën, dagboeken, particuliere correspondentie en reisverhalen. Toen Presser van 1959-1969 zijn tweede professoraat vervulde aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam, wijdde hij vele colleges aan dit onderwerp. Het was in een artikel voor de in 1958 verschenen Algemene Winkler Prins over memoires dat hij de term 'egodocument' voor dergelijke persoonlijke geschriften introduceerde bij een breder publiek. Memoires onderscheiden zich net als dagboeken en brieven naar hun inhoud van andere geschiedbronnen vooral door hun 'uitgesproken persoonlijk karakter', aldus Presser.

Presser was literator en historicus - beiden in hart en nieren. Deze nauwelijks te onderscheiden aspecten van zijn persoonlijkheid bepalen zijn werk en zijn geschiedopvattingen. Historicus, bron en geschiedwerk vormden een geheel en waren voor hemzelf een natuurlijke combinatie. Uit zijn definiëring van het begrip egodocument en uit de uitgesproken voorkeur voor het gebruik van egodocumenten die uit zijn eigen werk spreekt, blijkt hoezeer deze historicus Clio als muze had gekozen.

De historicus en zijn bron: dit onafscheidelijk tweetal heeft in de afgelopen decennia vaak meer dan het uiteindelijke geschiedwerk zelf ter discussie gestaan. Velen zien die zelfreflectie als typerend voor de huidige westerse mentaliteit. De inzichten van psychologen en neurologen over de aard van het menselijk geheugen hebben het vertrouwen in de waarheid van het herinnerde zozeer geschokt dat deze niet langer als bron van fact-finding kunnen worden geaccepteerd, maar eerder als fiction - als tijdsdocumenten. Antropologen en literatuurwetenschappers gingen niet minder aan het waarheidsgehalte van de getuigenis twijfelen.

In de jaren tachtig heeft de studie van met name de Holocaust geleid tot een nieuwe bezinning op het egodocument als bron. De getuigenis in al haar aspecten werd voor psychoanalytici, literatuurwetenschappers en politicologen, op zijn waarde getoetst. Waar zo weinigen nog getuigen konden heeft de getuigenis de rol van het individu in de geschiedenis geactualiseerd en daarmee - opnieuw - de aard van de geschiedschrijving ter discussie gesteld.

Veertig jaar na Pressers memorabele beschouwing over memoires als bron voor de geschiedschrijving, wilde de redactie dit tiende jaarboek wijden aan de vraag hoe historici en andere wetenschappers omgaan met egodocumenten van allerlei aard, dus met getuigenissen waaronder nu ook interviews en semi-geautoriseerde biografieën in welke vorm dan ook begrepen moeten worden. Indachtig de theoretische bijdragen van de andere wetenschappen, werden auteurs uitgenodigd een proeve van eigen werk tot dit jaarboek bij te dragen waarin de driehoeksverhouding tussen auteur, egodocument en eigen wetenschappelijke discipline tot uitdrukking wordt gebracht. In deze bundel presenteren wij de resultaten van deze reflectie.

Het jaarboek opent met twee bijdragen die in zichzelf al ego-documenten zijn. De auteurs maken ons deelgenoot van een zoektocht naar de wortels van hun persoonlijke geschiedenis. De antropoloog Hans Werdmölder is van kinds af aan gefascineerd geweest door het lot van zijn in mei 1943 gefusilleerde oom. De medicus Paul J. Thung geeft zich met behulp van egodocumenten van vrienden en familie rekenschap van hoe hij als kind van verschillende culturen (Chinees, Indisch en Nederlands) terugblikt op het oorlogsverleden van hemzelf en van de ander en in hoeverre de verschillende verhalen te verbinden zijn tot één zinvol geschiedverhaal.

Het foto-essay in dit jaarboek vormt evenzeer een egodocument op zich. Hierin geeft de na de Tweede Wereldoorlog geboren fotograaf Maarten Brinkgreve zich rekenschap van zijn fotografische beeld van de bezetting. Dat blijkt in hoge mate bepaald te zijn door de indringende foto's die de bekende fotograaf Ad Windig tijdens de bezetting maakte. Deze werden voor dit jaarboek geselecteerd door een fotograaf die in de jaren zestig de volwassenheid bereikte en wiens beeld van oorlog en bezetting in retrospectief werd gevormd door het leed van bevolkingen die de dupe werden van hun oorlog: van Vietnam in de jaren zeventig tot Bosnië in de jaren negentig.

Een vast thema in het werk van de historisch-sociologe Jolande Withuis is het onderzoek naar de ideologische component in getuigenissen en egodocumenten. In deze bijdrage analyseert zij de afscheidsbrieven van hen die in bezettingstijd ter dood werden veroordeeld. Daaruit komt sterk naar voren hoezeer het individueel- en collectief ideologische element strijdig met elkaar kunnen zijn. De historica Barbara Henkes, die een studie op haar naam heeft staan over de doorwerking van de geschiedenis binnen de familie, en een expert genoemd mag worden in de oral history, combineerde deze beide benaderingen in haar bijdrage over de correcte definiëring van het nazi-verleden binnen de kring van het gezin.

De bijdrage van de literatuurwetenschapster Solange Leibovici vormt in dit jaarboek een schakel tussen geschiedenis en literatuurwetenschap. In haar artikel toont zij aan hoe de getuigenis ondanks zichzelf tot literatuur gerekend moet geworden.

De historici Romijn, De Mildt, Vos en Langeveld hebben zich rekenschap willen geven van de mogelijkheden om egodocumenten aan te wenden voor analyse van historische beeldvorming. Het veelvuldig geciteerde maar nooit onderzochte verweerschrift van K.J. Frederiks biedt een helder voorbeeld van het onvermogen van het individu zichzelf historisch te evalueren, zo blijkt uit de bijdrage van Peter Romijn. In de bijdrage van Dick de Mildt, die in 1996 promoveerde op de naoorlogse vervolging van volkerenmoord in de Tweede Wereldoorlog, worden enkele zeldzame fragmenten van ego-documentaire aard aan analyse onderworpen. Zij bieden een onthutsend beeld van de psyche en mentaliteit van de nazi-massamoordenaar. Chris Vos, historicus en maker van historische documentaires, heeft zich geconcentreerd op de media-specifieke problemen die rijzen bij het gebruik van ego-documenten. Colijnbiograaf Langeveld confronteert het beeld van zijn protagonist dat uit enkele populaire biografieën uit de jaren dertig naar voren komt, met zijn visie als postkoloniaal historicus. Zijn bijdrage moet worden gelezen in de context van het recente maatschappelijke debat dat rond de persoon van Colijn als koloniaal oorlogsmisdadiger.

Een bijzondere relatie tussen egodocumenten en vormgevers van het verleden is die van bezorgers van memoires. De militair-historicus Jan Hoffenaar, die onlangs promoveerde op de inleiding bij de herinneringen van generaal Calmeijer, getuigt in zijn bijdrage van de voortdurende afweging die hij had te maken over de vraag in hoeverre zijn persoonlijke omgang met de hoofdpersoon een professionele benadering in de weg stond. Gerrold van der Stroom volgt als neerlandicus en in de hoedanigheid van medebezorger van de in 1986 verschenen wetenschappelijke editie van de dagboeken van Anne Frank, het pad dat Leibovici in dit jaarboek volgde. Zijn artikel heeft tot onderwerp het proces waarbij dit bekende egodocument van de jodenvervolging van historische bron tot literaire schepping is geworden.

Het was Pressers overtuiging dat Clio een muze is, die zowel de strengste van de negen is als de dochter van Mnemosyne, de herinnering, en geleid wordt door Apollo Musagetes, de god der kunsten. Na lezing van al deze bijdragen die elk op hun beurt getuigen van een eigenaardige omgang met het egodocument, is aan de lezer van dit speciale jaarboek de vraag of we wel zover verwijderd zijn geraakt van zijn visie.

Inhoudsopgave

- Hans Werdmölder, Jan Walraven. Een vergeten held
- Paul J. Thung, Ieder z'n eigen oorlog. Over mijn verhalen uit Indië/Indonesië, 1940-1949
- Maarten Brinkgreve, Beelden van de oorlog
- Jolande Withuis, 'Een beetje bloed dat de aarde zal bevruchten'. Afscheidsbrieven van communistische verzetsstrijders als bron van mythes, troost en kennis
- Barbara Henkes, De tweede schuld, of over de last familie te zijn. Nationaal-socialisme en  de overdracht van historische ervaringen binnen  familieverband
- Solange Leibovici, Schrijven over het kamp: de getuigenis als literatuur
- Peter Romijn, Frederiks' Op de bres - een ambtelijke apologie
- Dick de Mildt, 'Nur ganz leise klopft mein Herz ...'. Genocideplegers in egodocumenten
- Chris Vos, De levende getuige. De opkomst van het egodocument in de Nederlandse audiovisuele geschiedschrijving
- Herman Langeveld, De canonisering van het Colijn-beeld, 1930-1990
- Jan Hoffenaar, 'Ik heb alles toch in mijn memoires geschreven!'. De bezorging van de Herinneringen van luitenant-generaal M.R.H. Calmeyer
- Gerrold van der Stroom, Anne Frank: ... en die vriendin heet Kitty

 

Plaats van uitgave: 
Zutphen
Uitgever: 
Walburg Pers
Jaar van uitgave: 
1999