8 mei 1945

Rijksbureau voor Oorlogsdocumentatie opgericht

Drie dagen na de bevrijding op 8 mei 1945 werd het Rijksbureau voor Oorlogsdocumentatie opgericht.

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er plannen om na de bevrijding een centrum op te richten voor oorlogsdocumentatie. Nederlandse hoogleraren onder leiding van historicus Professor Dr. N.W. Posthumus ontwikkelden dit idee verder. Voor hen stond het verzamelen en ordenen van materiaal over Nederland tijdens de periode van de Duitse bezetting centraal.

Werken op het RIOD

Aan de andere kant van de Noordzee dacht de Nederlandse regering in ballingschap in Londen daar net zo over. Zo riep minister Bolkensteyn eind maart 1944 via Radio Oranje de Nederlandse bevolking op om dagboeken en brieven over de oorlog te bewaren. Zodra Nederland bevrijd was, konden deze documenten worden ingezameld.

Op 1 oktober 1945 veranderde de naam in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). Historicus Dr. Loe de Jong, die tijdens de oorlog in Londen bij Radio Oranje had gewerkt, werd dezelfde dag benoemd tot chef. In de eerste periode van het bestaan van het instituut was het verzamelen van materiaal over Nederland en Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste taak. Via radio-oproepen, dagbladadvertenties en affiches werd de bevolking in Nederland gevraagd documentatie af te staan. Belangrijke stukken, zoals dagboeken, briefwisselingen en fotoalbums, werden aan het instituut overgedragen.

Regelmatig gingen medewerkers van het documentatiecentrum ook zelf actief op zoek naar materiaal. Zo ontdekten Dr. Loe de Jong en adjunct-directeur dr. A.E. Cohen in 1946 in Münster een groot deel van het archief van het Reichskommissariat in den Niederlanden. Naast het verzamelen en inventariseren van al deze documenten verrichte het Rijksinstituut ook onderzoek.

In de jaren negentig vonden er grote veranderingen binnen het documentatiecentrum plaats. In deze periode werd het NIOD internationaler. De aanloop, nasleep en verwerking van de Tweede Wereldoorlog kreeg meer aandacht in de onderzoeken van het NIOD en daarnaast kwam er meer ruimte voor de gebeurtenissen in voormalig Nederlands-Indië en internationaal vergelijkend onderzoek. In 1999 werd het instituut een onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). De naam veranderde in het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).

In 1996 kreeg het NIOD de opdracht om onderzoek te doen naar de val van de enclave Srebrenica in Bosnië en de Nederlandse betrokkenheid bij het conflict. Hiermee , begaf het NIOD zich voor het grote publiek voor het eerst op een ander onderzoeksterrein dan waar het zo bekend om was geworden.

In 2010 fuseerde het NIOD met het Centrum voor Holocaust – en Genocidestudies (CHGS) tot het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Waarbij het NIOD de Tweede Wereldoorlog als vertrekpunt nam, bestreek het CHGS de hele wereld, met als ijkpunt het begrip genocide en de discussies over dit begrip.

Het streven van het huidige NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies is om als kenniscentrum met behulp van onafhankelijk en sterk maatschappelijk georiënteerd onderzoek zichtbare verbindingen te leggen met oorlogsgeweld elders in de wereld en aan te tonen dat de langdurige gevolgen van geweld niet ophouden bij de grenzen van de natie.