15 april 1945

Engelsen bevrijden Bergen-Belsen

Concentratiekamp Bergen-Belsen in Duitsland werd half april door de Britten bevrijd. Op dat moment waren er nog circa 60.000 gevangenen in het kamp aanwezig. 

Foto van het bevrijde Bergen-Belsen gemaakt door een Canadese soldaat in mei 1945

De maanden voor de bevrijding verslechterde de omstandigheden in Bergen-Belsen aanzienlijk. Het kamp stroomde vol met gevangenen uit andere kampen. Aan alles was er een tekort: voedsel, water en onderdak. Ook heersten er veel besmettelijke ziektes, zoals tyfus.

De nazi’s gebruikten Bergen-Belsen oorspronkelijk om krijgsgevangenen op te sluiten. In de zomer van 1943 werden naast de politieke gevangenen ook Joden geïnterneerd. De bedoeling was om Joden met een niet-Duitse nationaliteit en politieke gevangenen uit te wisselen voor Duiters in het buitenland. De leefomstandigheden waren voor hen iets beter, maar de uitwisseling bleef nagenoeg uit. Toen er grote groepen gevangenen binnenstroomden verslechterde ook in dit gedeelte van het kamp de situatie.

Na de bevrijding verbrandden de Engelsen de barakken vanwege besmettingsgevaar. Foto’s van Bergen-Belsen shockten de wereld over de nazi-gruwelen. Een paar dagen eerder, op 11 april, was ook Buchenwald bevrijd door de Amerikanen.

In totaal stierven er ongeveer 70.000 mensen in het kamp. Ook Anne Frank en haar zus Margot zouden hier omkomen door tyfus. In de weken na de bevrijding bezweken nog zo’n 13.000 gevangen aan ziektes en ondervoeding.